Eindeloos

opluchting en opgetogenheid overheersten
een rondedans in mijn hoofd
het was klaar, af en gelukt
na een jaar of twee vond ik tenminste van wel
en begon vol goede moed aan de volgende queeste:
uitprinten, inbinden, brief erbij, envelop, postzegels plakken (veel!), adres erop, schietgebedje, een kus
ziel en zaligheid verdwenen in de brievenbus
daag!
en dat nog eens en nog eens, maal twee
wat heerlijk, wat voelde dat goed
die moed
en de zon ging ook nog schijnen, de dagen lengden van vertrouwen
het werd zomer, alweer feest!
geef zomertijd de tijd, juichte ik, laat het maar duren
minstens tot en mét september
en ja hoor
eeuwig was het warm en licht
een vrij en vrolijk vacuüm waarin
alleen wespen en muggen zoemden
paardenvachten en luchten trilden
telefoons luiloom zwegen
en
tijd
zwoel vertraagde

maar
heel, heel langzaam
wordt het kil
verandert het licht van goud naar grauw
worden dagen korter
tijd krijgt nu haast
wind wakkert
het jaar jakkert
blaadjes vallen
en ook opeens een vlugge “Mooi! Maar,”
of drie
niet erg
hoop ik, geloof ik, beloof ik,
verdoof ik
stil