Bal bij de uitgeverij

Nu het weer bijna tijd is voor Het Feest Van Het Jaar voor de Nederlandse kinderboekenschrijvers – baljurk hangt al klaar aan een knaapje – is er ook opeens crisis.
Veel Grote Schrijvers die ik mateloos bewonder hebben er al slimme en rake dingen over geschreven: Edward van de Vendel, Bart Moeyaert, Marit Törnqvist, Ted van Lieshout en nog een stel. Allemaal leggen ze uit waar het vandaan komt en wat ze erbij voelen. Bij dat gezeik bij sommige uitgeverijen, bedoel ik.
En ik, nog lang geen Grote Schrijver (als je je boekenkast met mijn boeken wilt vullen – graag! – ben je na enkele decimeters wel klaar), slechts klein maar ijverig, ik vind er ook wat van.
Ik vind het jammer.

Lang, lang geleden, volgde ik een opleiding over Kinder- en Jeugdliteratuur in Leiden. Grootheden Toin Duijx en Joke Linders waren mijn docenten; ik genoot me te pletter.
Ik weet nog dat er ook wel eens gastsprekers kwamen, één van hen was uitgever. De meest romantische, smeuïge anekdotes diste ze op, vooral om ons een hart onder de riem te steken:

Zelfs de meest beroemde schrijvers hebben af en toe steun nodig van een uitgever en/of zijn redacteur.
(Omdat schrijven nu eenmaal Heel Moeilijk is en hoe goed uitgedacht je verhaal ook, altijd een traag proces.)

‘Ik weet nog,’ vertelde de uitgever, ‘dat ik me een keer zorgen maakte om Zeer Beroemde Schrijver X. Hij had zijn manuscript al lang moeten inleveren, maar hij kwam met niks.’
Ik hing aan haar lippen.
‘Dus ging ik bij hem langs. Met whisky. Is dit niet een idee? opperde ik. Of dat? Kun je niet eens hier aan denken? Of je verhaal een keer zo’n wending geven? Met iedere vraag schonk ik het glas van X bij, dat hij telkens woest achterover sloeg. Mijn ideeën waren allemaal… ongeschikt.’
Tja, dacht ik wijsneuzig, uitgeven is ook iets anders dan schrijven. Ieder zijn vak!
‘Maar,’ ging ze verder, ‘de volgende dag belde hij me op. Hij had een kater. En een héél goed verhaalidee.’

Mijn conclusie: de uitgever had X onbewust tóch de goede kant op gestuurd, door vooral te benoemen waar zijn nieuwe verhaal níét over moest gaan. Ja, dat kan.

Nog een hilarisch en mooi uitgeversverhaal: ‘Beste Schrijfster Van Nederland was kilometers over haar deadline gegaan. Op een dag belde ze huilend op. Dat ze maar geen rust vond om het verhaal af te schrijven door de chaos in en rond haar huis.’
Wat er dan allemaal zo chaotisch was, wilde de uitgeefster weten. Nou, de afwas stond torenhoog in de gootsteen, de pruimenbomen moesten dringend gesnoeid en de vloer in de woonkamer kon wel een verfje gebruiken. Om maar wat te noemen.
‘Dus pakte ik mijn koffertje met kluskleren,’ zei de uitgever monter.
Wij schudden verbijsterd ons hoofd. SRSLY?
Ja, SRSLY. Binnen drie dagen had de uitgeefster het erf van de auteur op orde en was er een schitterend boek geboren.

Nou gaat het natuurlijk niet om die borrels en dat klussen, dat snap je, het gaat om de betekenis daarvan. Dit nederige schrijfstertje vindt  – heeft geleerd van Grote Voorbeelden! – dat een uitgever hart moet hebben voor het werk dat hij uitgeeft en de mens die het maakt. De redacteur is een strenge maar rechtvaardige leraar als hij redigeert én bijkans psycholoog, hetzij voor de boekpersonages, hetzij voor de kneitergoede auteur die zo nu en dan simpelweg steun nodig heeft.

Vermoei beiden niet met gruwelijk enge, zakelijke overheadellende en concerngedoe. Laat ze hun échte werk doen.
En nu zonder bruggetje óp naar het Kinderboekenbal!