Wat er gebeurde toen De Schoolschrijfster na vijf maanden – eerst was er nog school, toen een heeeeele lange zomervakantie,  alle posters met haar hoofd erop waren natuurlijk al lang in de kliko verdwenen, de leerlingen zaten allemaal een groep hoger in een ander lokaal bij een andere leerkracht en waren allemaal minstens drie centimeter gegroeid – weer eens terugkwam op de haar oude Schoolschrijverschool?

Dit:

Het plein lag er prachtig bij in het herfstzonlicht. De stemmen van de buitenspelende kinderen klonken uitgelaten – De Schoolschrijfster houdt van het geluid van schoolpleinen, wordt er vrolijk van! – en de conciërge hield vaderlijk de wacht bij de poort. Een paar moeders kwamen de school uit. Gekleurde hoofddoeken, een vriendelijke en bescheiden glimlach om hun mond.

De Schoolschrijfster zette één voet op het trapje voor de poort en ze wist: Nog een halve tel voordat ik ophoud er niet meer te zijn. Nog een halve tel word ik niet opgemerkt, hoor ik bij het vorige schooljaar, een ver verleden, een totaal ander tijdperk. Nog een halve tel is geweest, wat is geweest.

Ze zette haar andere voet op de trap.

‘Hé? … Schoolschrijfster?’ Een jongetje zag haar het eerst. ‘De Schoolschrijfster!’ Meteen volgde de rest.
‘Ik zie de Schoolschrijfster!’
‘De Schoolschrijfster is er weer!’
‘Oooooh, Schoolschrijfster!’
‘Wat fijn dat u er bent!’
‘Komt u terug?’
‘Ik heb u zo gemist, juf!’
“Ik ook! Ik heb u ook gemist. Ik wil u knuffelen!’
‘Ik wil u ook knuffelen!’
‘Wat gaan we doen?’
‘Gaan we weer wat leuks doen?’

De Schoolschrijfster kon de conciërge nog net begroeten voordat ze werd omsingeld door de liefste kinderen, begroet, omhelsd, toegejuicht. Ze kreeg het er warm van en ze wist:

Een Schoolschrijver wordt niet vergeten, maar opgeslagen in hoofden en harten als een lievelingsverhaal.

De tweedejaars studenten van de Pabo in Deventer vielen behoorlijk stil toen René Berends vanochtend tijdens een conferentie over Laaggeletterdheid op de Hogeschool Saxion in Deventer wat cijfers uit de doeken deed. Er zijn 2,5 miljoen laag geletterden in Nederland, dat is één op de zes mensen. 18% van de leerlingen van het MBO heeft moeite met lezen en schrijven. In Amsterdam en de regio er omheen is meer dan 16% van de mensen laag geletterd. Er zijn drie landen in de wereld waar kinderen een grotere hekel hebben aan lezen dan in Nederland; we staan dus vierde van onderen als het gaat om leesplezier.
Laag geletterden lopen meer risico’s als het gaat om persoonlijke problemen (onzekerheid, depressie), gezondheidsproblemen (omdat ze bijvoorbeeld bijsluiters niet kunnen lezen) en problemen op de arbeidsmarkt (in welke baan moet je nou niet eens een formulier invullen of notulen lezen?).
Een meisje voor me fluisterde geschokt tegen haar buurvrouw: ‘Maar ze kunnen toch wel gewoon praten?’

Tijdens de conferentie mocht ik twee keer een workshop geven over mijn werk als Schoolschrijver. Verhalen verbinden en versterken, dat was mijn motto. Alle kinderen taalsterk was de missie. Dat ze mij als kinderboekenschrijfster niet kenden, verwonderde me niet. Maar dat de blikken her en der ook glazig werden bij de namen ‘Janneke Schotveld’, ‘Gideon Samson’ en ‘Selma Noort’, vond ík dan weer schokkend.

Onderweg naar huis hoorde ik op Radio 1 een item over ‘vertaalkinderen’: kinderen die voor hun ouders voortdurend gesprekken vertalen (als de ouders geen Nederlands spreken) of teksten lezen (als de ouders niet kunnen lezen en schrijven). Een vertaalkind diste een verhaal op over hoe ze het na een tien-minuten-gesprek op school voor elkaar kreeg haar ouders breed glimlachend te laten vertrekken terwijl de leraar zojuist had uitgelegd dat ze geen klap uitvoerde in de les. Ze kon er gelukkig zelf wel om grinniken.

Klank en letter.
Water en lucht.
Adem in.
Spreek uit.
Sla op.
Schrijf op.
Laat ze stromen.

 

Klantenbinding. De Nederlandse middenstand is er al ruim een eeuw ontzettend bedreven in. Afhankelijke huisvrouwen krijgen het gevoel ook zelf wat te kunnen bijdragen aan het huishouden: handdoeken, een snoepje van de week, een ovenschaal of een mixer.

Ook aan kinderen wordt al meer dan honderd jaar gedacht bij de boodschappen:
– De SRV-man die bij mijn moeder de boodschappen thuisbracht, gooide altijd een hand vol manna in de doos, zodat mijn moeder en haar broers en zussen konden graaien en smullen (haar oudste broer wist waar de rijdende winkelier de voorraad manna in zijn bus opborg en regelde stiekem zijn eigen portie ;-).
– Mijn schoonmoeder kreeg een rode step. Die had haar moeder bij elkaar weten te sparen. Hoeveel stempels ze ervoor heeft moeten inleveren bij haar kruidenier, weet ik niet, maar mijn schoonmoeder was happy. De middelbare school was namelijk ver van huis en steppend was ze er een stuk sneller dan lopend!


Klantenbinding levert al decennia lang een win-win-situatie op, zoveel is duidelijk.
En daarom moet er maar eens een boek over komen!

Tialda Hoogeveen en ik tekenden daarvoor het contract bij Uitgever Thomas Rap. Zo trots als een pauw zijn we!
En nu… aan de slag.

Spaarde u vroeger thuis ook zegeltjes, of iets anders wat door de middenstand in uw woonplaats aangeboden werd? Bewaart u een bijzondere (grappige of ontroerende) herinnering aan dat sparen? Meld het ons! Wij sparen anekdotes…

Laag.
Onze hond Patou gaat direct plat op de grond, zodra ze dit commando hoort. Braaf en slaafs als ze is, kent ze haar plek. Aan mijn voeten. Op de grond. Letterlijk: laag.
Ze weet héél goed wat er tegenover staat. Een groot compliment, een aai over haar kop, een bak vol brokjes en als het vrouwtje echt een dolle dag heeft, een kluif. Het woord ‘laag’ doet haar dankbaar kwispelen.

Maar mensen zijn geen honden. En nu de zomer voorbij is, de scholen en het academische jaar beginnen aan een nieuw jaar vol uitdagingen, breekt ook de Week van de Alfabetisering weer aan, waarin er veel aandacht is voor het belang van lezen en schrijven en de achterstand die maar liefst 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben op dit vlak.
Frits Spits sprak afgelopen zaterdag (1 september) hierover met zijn gasten in zijn radioprogramma De Taalstaat. Het ging  over laaggeletterdheid én over laagopgeleiden. En daar had je dat woord weer.
Laag.

Praktisch opgeleid
Frits Spits vroeg zich af of er geen alternatief is, met name voor het woord ‘laagopgeleid’, dat voor het zelfvertrouwen van mensen desastreus is.
Goed nieuws: dat is er! Marianne Zwagerman heeft het al voor ons bedacht: zij maakt onderscheid tussen praktisch en theoretisch opgeleiden, in plaats van tussen hoog- en laagopgeleiden. Want mensen zijn geen honden.

Taalsterk
Komend najaar ga ik veel op pad voor De Schoolschrijver, zoals je in mijn agenda kunt zien. Samen met mijn collega’s bezoek ik scholen (ook in het buitenland, ook scholen voor kinderen met een beperking, ook scholen voor nieuwkomers, al-les!) om de laaggeletterdheid aan te pakken. Met verhalen en gedichten stimuleren we de kinderen in hun taalontwikkeling.

Alle mensen op deze planeet houden van verhalen. Mensen die niet van verhalen houden, bestaan niet (net als honden die niet van kluiven houden). Iedereen kent wel een verhaal, gedicht of een lied. Uit een boek of een bundel, of gewoon: uit zijn hoofd of hart, familie of straat.
Als Schoolschrijver kán ik gebruik maken van gedrukte teksten op papier, maar ik ben er zeker niet van afhankelijk. Verhalen kunnen namelijk weliswaar gelezen of geschreven worden, maar ook getekend, verfilmd, uitgebeeld, gezongen of verteld. Ook dat helpt allemaal bij taalontwikkeling.
Niks laaggeletterd, wég met dat L-woord.
Taalsterk maken we ze!

Een vriendin van me zegt als ze ergens heel verheugd over is altijd gekscherend: ‘Als ik een staart had, zou ik kwispelen!’ Voor mijn werk jat ik die quote graag van haar. De zomer is voorbij, de Week van de Alfabetisering is begonnen. Had ik nu maar een staart! Dan zou ik kwispelend weer aan het werk gaan.

In het LEGO CITY Groot Woordenboek gebeurt zoveel dat het de perfecte plek is om nieuwe woorden te leren voor alledaagse objecten, beroepen, voertuigen en gebouwen. De brandweer moet in actie komen, de politie houdt de stad veilig en er is een park waar de bezoekers gezellig kunnen picknicken. Ook een boef houdt zich er schuil; wie o wie kan hem op iedere pagina weer vinden?
Het LEGO CITY Groot Woordenboek bevat 26 spreads, leuke weetjes, zoekopdrachten en meer dan 500 makkelijk te leren woorden. Ik mocht het vertalen en het ligt nú in de winkel!

e

17:57 uur.
Mijn mobiel zoemt, ik neem op.
‘Dag Schoolschrijver! Met X uit groep 4. Wij hadden vandaag mailles met u, weet u nog wel?’
‘Tuurlijk! Vond je het leuk?’
‘Jawel. Maar u was er niet. Daarom mis ik u zo.’

Toen ik eind jaren negentig als docent Nederlands in het voortgezet onderwijs aan het werk ging, stond ik met naam, adres én telefoonnummer in de schoolgids. Het schooljaar daarna veranderde dat; zowel mijn collega’s als ik werden té vaak telefonisch belaagd door klierige tieners die zich verveelden na het laatste uur. Een tijd lang was ik dan ook redelijk paranoia als het ging om gegevens uitwisselen.

Nu ik voor mezelf werk, móét ik wel weer laten zien hoe ik bereikbaar ben. Daarom staat mijn telefoonnummer standaard in de handtekening onder mijn mails.

Je ziet wat er van komt.

In relatief korte tijd werd me gevraagd om twee vlogs te maken. Daar zeg ik, als 21e eeuwse schrijfster en moeder van drie vlogverslaafde meiden geen nee tegen!

(Moeluk-Moeluk-MOELUK! Iedere seconde telt!!! Heb met terugwerkende kracht bewondering gekregen voor Enzo, Dylan, Joy en al die andere
filmpjesfreaks…)

De eerste van de twee staat inmiddels online op het youtubekanaal van De Schoolschrijver. Daarin vertel ik – in 43 seconden… fjoe! – hoe je aan Saaaaaaaie boeken toch plezier kunt beleven.

Ik ga het maar eens vaker doen, denk ik, vloggen. Want behalve ‘moeluk’ ook best een leuke uitdaging!

 

Oftewel:

  • waar
  • wanneer
  • met welke rituelen en
  • technieken

In groep 8 ga ik proberen antwoord te geven op deze vragen.

Hieronder zie je een stripgedicht, geschreven door Edward van de Vendel en getekend door Floor de Goede. Ik gebruik ze voor mijn Schoolschrijverlessen. Er zijn ook filmpjes van!

 

Tijdens een workshop van Hans en Monique Hagen leerde ik dit citaat:


Een poosje daarna las ik in de Poëziegids toevallig een les over gedichten over de zee en toen was één plus één drie. Inspiratie is vaak een combinatie met je eigen sausje erover, toch?

Zo kwam het dus dat ik in groep 4 aan de slag ging met gedichten over de zee. En dat we ons eigen gedicht in een glazen potje stopten of het erop plakten en dat vervolgens met crêpepapier omtoverden tot een minizee.

Kunst!