opluchting en opgetogenheid overheersten
een rondedans in mijn hoofd
het was klaar, af en gelukt
na een jaar of twee vond ik tenminste van wel
en begon vol goede moed aan de volgende queeste:
uitprinten, inbinden, brief erbij, envelop, postzegels plakken (veel!), adres erop, schietgebedje, een kus
ziel en zaligheid verdwenen in de brievenbus
daag!
en dat nog eens en nog eens, maal twee
wat heerlijk, wat voelde dat goed
die moed
en de zon ging ook nog schijnen, de dagen lengden van vertrouwen
het werd zomer, alweer feest!
geef zomertijd de tijd, juichte ik, laat het maar duren
minstens tot en mét september
en ja hoor
eeuwig was het warm en licht
een vrij en vrolijk vacuüm waarin
alleen wespen en muggen zoemden
paardenvachten en luchten trilden
telefoons luiloom zwegen
en
tijd
zwoel vertraagde

maar
heel, heel langzaam
wordt het kil
verandert het licht van goud naar grauw
worden dagen korter
tijd krijgt nu haast
wind wakkert
het jaar jakkert
blaadjes vallen
en ook opeens een vlugge “Mooi! Maar,”
of drie
niet erg
hoop ik, geloof ik, beloof ik,
verdoof ik
stil

 

 

De schuifdeuren gaan open. Nog vóór ik mijn eerste stap zet in de aankomsthal van El Prat, de airport van Barcelona, hoor ik twee kinderen roepen: ‘Daar is De Schoolschrijver!’
Ik kus de moeder van de kinderen op z’n Spaans twee keer en dan nog één Hollandse keer want ik schakel niet snel genoeg. Lachend wijs ik naar de tas die ik om mijn schouder heb hangen. Ik heb het logo van De Schoolschrijver er in koeienletters op laten zetten. Ik snap het al!
Ze schudt haar hoofd. ‘Ze herkenden je gewoon meteen!’
Grinnikend om het feit dat ik in Spanje dus beroemder ben dan in Nederland – ik word nooit herkend op straat – loop ik achter haar aan naar de parkeergarage. We krijgen een lift naar het hotel.
Ik ga achterin de auto zitten, knus tussen de kinderen in. Het meisje wil later ook schrijfster worden. Ze stelt honderd-en-één vragen. Over schrijven, over lezen.
Haar broertje komt er niet tussen, maar daar weet hij wel wat op. Hij pakt mijn hand vast en laat hem de hele rit niet meer los.

De volgende ochtend, het is zaterdag, is het zover. Om half tien begint mijn eerste les. ‘Nu praten we Nederlands,’ hoor ik een leerkracht bij de ingang van de Oranjedijkschool tegen de leerlingen zeggen.
Samen met haar collega heeft ze slingers opgehangen. En alle kinderen krijgen een cadeautje: chocoladepotloodjes uit de Barcelonese HEMA. Ik hang mijn sjerp om. Het is feest!

De hele dag door vertel ik in alle groepen (5 t/m voortgezet onderwijs) over schrijfgeheimen, fantasie, taal, lezen, schrijven, fouten maken (is niet erg!) en een klein beetje over mezelf. We verzinnen fabeldieren, maken in groepjes lekker gekke zinnen en analyseren een verhaalfragment.
‘Magisch,’ vindt een leerkracht.
Ik hoor dat ze genoten heeft.
‘Leuk!’ roepen de jongste leerlingen.
Ik zie oneindig veel verhalen in hun glanzende ogen.
‘Dus zo zit dat met schrijvers en hun boeken,’ zegt een middelbare scholier.
Tevreden slaat hij zijn armen over elkaar.

Dát is dus het Schoolschrijvereffect.
Vanaf nu óók internationaal!

Wat er gebeurde toen De Schoolschrijfster na vijf maanden – eerst was er nog school, toen een heeeeele lange zomervakantie,  alle posters met haar hoofd erop waren natuurlijk al lang in de kliko verdwenen, de leerlingen zaten allemaal een groep hoger in een ander lokaal bij een andere leerkracht en waren allemaal minstens drie centimeter gegroeid – weer eens terugkwam op de haar oude Schoolschrijverschool?

Dit:

Het plein lag er prachtig bij in het herfstzonlicht. De stemmen van de buitenspelende kinderen klonken uitgelaten – De Schoolschrijfster houdt van het geluid van schoolpleinen, wordt er vrolijk van! – en de conciërge hield vaderlijk de wacht bij de poort. Een paar moeders kwamen de school uit. Gekleurde hoofddoeken, een vriendelijke en bescheiden glimlach om hun mond.

De Schoolschrijfster zette één voet op het trapje voor de poort en ze wist: Nog een halve tel voordat ik ophoud er niet meer te zijn. Nog een halve tel word ik niet opgemerkt, hoor ik bij het vorige schooljaar, een ver verleden, een totaal ander tijdperk. Nog een halve tel is geweest, wat is geweest.

Ze zette haar andere voet op de trap.

‘Hé? … Schoolschrijfster?’ Een jongetje zag haar het eerst. ‘De Schoolschrijfster!’ Meteen volgde de rest.
‘Ik zie de Schoolschrijfster!’
‘De Schoolschrijfster is er weer!’
‘Oooooh, Schoolschrijfster!’
‘Wat fijn dat u er bent!’
‘Komt u terug?’
‘Ik heb u zo gemist, juf!’
“Ik ook! Ik heb u ook gemist. Ik wil u knuffelen!’
‘Ik wil u ook knuffelen!’
‘Wat gaan we doen?’
‘Gaan we weer wat leuks doen?’

De Schoolschrijfster kon de conciërge nog net begroeten voordat ze werd omsingeld door de liefste kinderen, begroet, omhelsd, toegejuicht. Ze kreeg het er warm van en ze wist:

Een Schoolschrijver wordt niet vergeten, maar opgeslagen in hoofden en harten als een lievelingsverhaal.

De tweedejaars studenten van de Pabo in Deventer vielen behoorlijk stil toen René Berends vanochtend tijdens een conferentie over Laaggeletterdheid op de Hogeschool Saxion in Deventer wat cijfers uit de doeken deed. Er zijn 2,5 miljoen laag geletterden in Nederland, dat is één op de zes mensen. 18% van de leerlingen van het MBO heeft moeite met lezen en schrijven. In Amsterdam en de regio er omheen is meer dan 16% van de mensen laag geletterd. Er zijn drie landen in de wereld waar kinderen een grotere hekel hebben aan lezen dan in Nederland; we staan dus vierde van onderen als het gaat om leesplezier.
Laag geletterden lopen meer risico’s als het gaat om persoonlijke problemen (onzekerheid, depressie), gezondheidsproblemen (omdat ze bijvoorbeeld bijsluiters niet kunnen lezen) en problemen op de arbeidsmarkt (in welke baan moet je nou niet eens een formulier invullen of notulen lezen?).
Een meisje voor me fluisterde geschokt tegen haar buurvrouw: ‘Maar ze kunnen toch wel gewoon praten?’

Tijdens de conferentie mocht ik twee keer een workshop geven over mijn werk als Schoolschrijver. Verhalen verbinden en versterken, dat was mijn motto. Alle kinderen taalsterk was de missie. Dat ze mij als kinderboekenschrijfster niet kenden, verwonderde me niet. Maar dat de blikken her en der ook glazig werden bij de namen ‘Janneke Schotveld’, ‘Gideon Samson’ en ‘Selma Noort’, vond ík dan weer schokkend.

Onderweg naar huis hoorde ik op Radio 1 een item over ‘vertaalkinderen’: kinderen die voor hun ouders voortdurend gesprekken vertalen (als de ouders geen Nederlands spreken) of teksten lezen (als de ouders niet kunnen lezen en schrijven). Een vertaalkind diste een verhaal op over hoe ze het na een tien-minuten-gesprek op school voor elkaar kreeg haar ouders breed glimlachend te laten vertrekken terwijl de leraar zojuist had uitgelegd dat ze geen klap uitvoerde in de les. Ze kon er gelukkig zelf wel om grinniken.

Klank en letter.
Water en lucht.
Adem in.
Spreek uit.
Sla op.
Schrijf op.
Laat ze stromen.

 

Klantenbinding. De Nederlandse middenstand is er al ruim een eeuw ontzettend bedreven in. Afhankelijke huisvrouwen krijgen het gevoel ook zelf wat te kunnen bijdragen aan het huishouden: handdoeken, een snoepje van de week, een ovenschaal of een mixer.

Ook aan kinderen wordt al meer dan honderd jaar gedacht bij de boodschappen:
– De SRV-man die bij mijn moeder de boodschappen thuisbracht, gooide altijd een hand vol manna in de doos, zodat mijn moeder en haar broers en zussen konden graaien en smullen (haar oudste broer wist waar de rijdende winkelier de voorraad manna in zijn bus opborg en regelde stiekem zijn eigen portie ;-).
– Mijn schoonmoeder kreeg een rode step. Die had haar moeder bij elkaar weten te sparen. Hoeveel stempels ze ervoor heeft moeten inleveren bij haar kruidenier, weet ik niet, maar mijn schoonmoeder was happy. De middelbare school was namelijk ver van huis en steppend was ze er een stuk sneller dan lopend!


Klantenbinding levert al decennia lang een win-win-situatie op, zoveel is duidelijk.
En daarom moet er maar eens een boek over komen!

Tialda Hoogeveen en ik tekenden daarvoor het contract bij Uitgever Thomas Rap. Zo trots als een pauw zijn we!
En nu… aan de slag.

Spaarde u vroeger thuis ook zegeltjes, of iets anders wat door de middenstand in uw woonplaats aangeboden werd? Bewaart u een bijzondere (grappige of ontroerende) herinnering aan dat sparen? Meld het ons! Wij sparen anekdotes…

Laag.
Onze hond Patou gaat direct plat op de grond, zodra ze dit commando hoort. Braaf en slaafs als ze is, kent ze haar plek. Aan mijn voeten. Op de grond. Letterlijk: laag.
Ze weet héél goed wat er tegenover staat. Een groot compliment, een aai over haar kop, een bak vol brokjes en als het vrouwtje echt een dolle dag heeft, een kluif. Het woord ‘laag’ doet haar dankbaar kwispelen.

Maar mensen zijn geen honden. En nu de zomer voorbij is, de scholen en het academische jaar beginnen aan een nieuw jaar vol uitdagingen, breekt ook de Week van de Alfabetisering weer aan, waarin er veel aandacht is voor het belang van lezen en schrijven en de achterstand die maar liefst 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben op dit vlak.
Frits Spits sprak afgelopen zaterdag (1 september) hierover met zijn gasten in zijn radioprogramma De Taalstaat. Het ging  over laaggeletterdheid én over laagopgeleiden. En daar had je dat woord weer.
Laag.

Praktisch opgeleid
Frits Spits vroeg zich af of er geen alternatief is, met name voor het woord ‘laagopgeleid’, dat voor het zelfvertrouwen van mensen desastreus is.
Goed nieuws: dat is er! Marianne Zwagerman heeft het al voor ons bedacht: zij maakt onderscheid tussen praktisch en theoretisch opgeleiden, in plaats van tussen hoog- en laagopgeleiden. Want mensen zijn geen honden.

Taalsterk
Komend najaar ga ik veel op pad voor De Schoolschrijver, zoals je in mijn agenda kunt zien. Samen met mijn collega’s bezoek ik scholen (ook in het buitenland, ook scholen voor kinderen met een beperking, ook scholen voor nieuwkomers, al-les!) om de laaggeletterdheid aan te pakken. Met verhalen en gedichten stimuleren we de kinderen in hun taalontwikkeling.

Alle mensen op deze planeet houden van verhalen. Mensen die niet van verhalen houden, bestaan niet (net als honden die niet van kluiven houden). Iedereen kent wel een verhaal, gedicht of een lied. Uit een boek of een bundel, of gewoon: uit zijn hoofd of hart, familie of straat.
Als Schoolschrijver kán ik gebruik maken van gedrukte teksten op papier, maar ik ben er zeker niet van afhankelijk. Verhalen kunnen namelijk weliswaar gelezen of geschreven worden, maar ook getekend, verfilmd, uitgebeeld, gezongen of verteld. Ook dat helpt allemaal bij taalontwikkeling.
Niks laaggeletterd, wég met dat L-woord.
Taalsterk maken we ze!

Een vriendin van me zegt als ze ergens heel verheugd over is altijd gekscherend: ‘Als ik een staart had, zou ik kwispelen!’ Voor mijn werk jat ik die quote graag van haar. De zomer is voorbij, de Week van de Alfabetisering is begonnen. Had ik nu maar een staart! Dan zou ik kwispelend weer aan het werk gaan.

In het LEGO CITY Groot Woordenboek gebeurt zoveel dat het de perfecte plek is om nieuwe woorden te leren voor alledaagse objecten, beroepen, voertuigen en gebouwen. De brandweer moet in actie komen, de politie houdt de stad veilig en er is een park waar de bezoekers gezellig kunnen picknicken. Ook een boef houdt zich er schuil; wie o wie kan hem op iedere pagina weer vinden?
Het LEGO CITY Groot Woordenboek bevat 26 spreads, leuke weetjes, zoekopdrachten en meer dan 500 makkelijk te leren woorden. Ik mocht het vertalen en het ligt nú in de winkel!

e

17:57 uur.
Mijn mobiel zoemt, ik neem op.
‘Dag Schoolschrijver! Met X uit groep 4. Wij hadden vandaag mailles met u, weet u nog wel?’
‘Tuurlijk! Vond je het leuk?’
‘Jawel. Maar u was er niet. Daarom mis ik u zo.’

Toen ik eind jaren negentig als docent Nederlands in het voortgezet onderwijs aan het werk ging, stond ik met naam, adres én telefoonnummer in de schoolgids. Het schooljaar daarna veranderde dat; zowel mijn collega’s als ik werden té vaak telefonisch belaagd door klierige tieners die zich verveelden na het laatste uur. Een tijd lang was ik dan ook redelijk paranoia als het ging om gegevens uitwisselen.

Nu ik voor mezelf werk, móét ik wel weer laten zien hoe ik bereikbaar ben. Daarom staat mijn telefoonnummer standaard in de handtekening onder mijn mails.

Je ziet wat er van komt.

In relatief korte tijd werd me gevraagd om twee vlogs te maken. Daar zeg ik, als 21e eeuwse schrijfster en moeder van drie vlogverslaafde meiden geen nee tegen!

(Moeluk-Moeluk-MOELUK! Iedere seconde telt!!! Heb met terugwerkende kracht bewondering gekregen voor Enzo, Dylan, Joy en al die andere
filmpjesfreaks…)

De eerste van de twee staat inmiddels online op het youtubekanaal van De Schoolschrijver. Daarin vertel ik – in 43 seconden… fjoe! – hoe je aan Saaaaaaaie boeken toch plezier kunt beleven.

Ik ga het maar eens vaker doen, denk ik, vloggen. Want behalve ‘moeluk’ ook best een leuke uitdaging!

 

Oftewel:

  • waar
  • wanneer
  • met welke rituelen en
  • technieken

In groep 8 ga ik proberen antwoord te geven op deze vragen.